Pas de wet aan: Nederlanders met een tweede nationaliteit mogen slechts meedoen aan verkiezingen van één land

erdogan

President Erdogan AFP

Bastiaan Rijpkema was vanavond te gast bij Nieuws en Co, op Radio 1, om 18:20 uur. Rijpkema is verbonden aan de Universiteit van Leiden als rechtsfilosoof en weet zodoende het nodige over democratie en recht. Hij ging in op de vraag of de brief met een stemadvies die Erdogan heeft gestuurd aan alle Nederlandse Turken juridisch door de beugel kan. Waarschijnlijk is dat het geval. Een land kan niet zomaar een ander land verbieden een brief met stemadvies te sturen aan landgenoten in den vreemde. Vandaar ook dat Rutte c.s. hebben besloten het maar zo te laten. Een aantal jaren geleden werd er nog wel tegen geprotesteerd.

Interessant was dat Rijpkema de meeste van ons minder bekende George van den Bergh erbij haalde. Uit Wikipedia: In 2014 werd [Van Den Bergh’s] in vergetelheid geraakte oratie uit 1936 over de democratische staat en de niet-democratische partijen heruitgegeven door Elsevier Boeken onder de titel Wat te doen met antidemocratische partijen? Het boek bevat een inleiding van Bastiaan Rijpkema, een voorwoord van René Cuperus en een nawoord van Paul Cliteur.

Dit keer vertelde Rijpkema dat Van Den Bergh had betoogd dat mensen in een democratie idealiter alleen zouden mogen stemmen als ze persoonlijk belang bij de beslissingen hebben. Zo beschouwd zouden de in Nederland wonende Turken niet het recht moeten hebben om mee te stemmen bij de Turkse verkiezingen. Immers, ze wonen niet in Turkije en hebben bij de beslissingen van de Turkse regering geen persoonlijk belang.

Hoewel er meer denkers (filosofen, politicologen, politici) zo denken, is dit standpunt niet populair geworden en zeker Erdogan zal er slechts om lachen. Rijpkema is zich daarvan bewust, maar wilde het toch even genoemd hebben. Zijn pleidooi aanhorend kreeg ik al direct een aanvullend idee:

De Nederlandse wet zou een artikel moeten bevatten dat Nederlanders die een tweede nationaliteit hebben beperkt in hun recht om mee te doen aan verkiezingen. Zo’n burger zal dan moeten kiezen tussen meedoen aan de Nederlandse verkiezingen of aan die van dat andere land. Kiest deze voor stemmen in dat andere land, dan verliest deze het stemrecht in Nederland. Wil deze het stemrecht in Nederland niet verliezen, dan zal er moeten worden afgezien van het stemrecht in dat andere land. Idem zal moeten gelden voor het recht om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen; het zogenoemde ‘passieve kiesrecht’.

Sceptici zouden kunnen betogen dat zo’n wet niet te controleren is. Dat lijkt mij te kort door de bocht. Nederland kan prima bij Turkije opvragen welke in Nederland wonende Turken een stembiljet opgestuurd hebben gekregen. Dat lijkt mij voldoende bewijs, ook als iemand zegt dat papier bij ontvangst meteen weer in de prullenbak te hebben gegooid. En als Turkije weigert zo’n lijst te overhandigen, bijvoorbeeld met een beroep op privacy, dan kan de overheid niet anders dan àlle Nederlandse Turken het Nederlands stemrecht – en passief recht – te ontnemen.

Zo’n regeling gaat weliswaar in tegen het idee van Van Den Bergh dat in een ware democratie iemands stemrecht beperkt moet blijven tot zaken waar die iemand ook persoonlijk belang bij heeft. Toch lijkt het mij een adequaat middel tegen onwelwillende landen; landen die in dat idee helemaal niets zien omdat de leiders van zo’n land juist veel steun verwachten van ‘landgenoten’ die in het buitenland wonen.

Rijpkema betoogde al dat dit uiteraard niet geldt voor expats of studenten, die immers hooguit een paar jaar in den vreemde zullen blijven en bovendien geen tweede nationaliteit hebben.

 

Bladwijzer de permalink.

Reacties zijn gesloten.