Psychotherapie voor genderdysfore mensen hoort niet in de taboesfeer

Dit is een deel van een uitgebreider artikel over de TQ en I van LHBTQI. In dit deel wordt ervan uitgegaan dat mensen met genderdysforie niet gebaat zijn bij een medisch traject en juist wel bij een psychotherapeutisch traject. Volstaan met psychotherapie voor genderdysforie hoort niet in de taboesfeer.

In het verkeerde lichaam geboren

Er zijn mensen die twijfelen over hun geslacht. Velen van hen beperken zich tot wat aanpassingen in het uiterlijk en het gedrag. Sommigen gaan echter veel verder; deze ’transgenders’ willen uiteindelijk echt overstappen op een aantal lichamelijke kenmerken van het gewenste geslacht. Dat impliceert heftige operaties.

Operaties die pas sinds enkele decennia min of meer mogelijk zijn. Transactivisten claimen dat je in het verkeerde lichaam geboren kan zijn én zien transitie als de juiste manier om daar fundamenteel wat aan te doen. Wie het hele idee van geboren zijn in het verkeerde lichaam echt omarmt, ontkomt er niet aan ook te moeten geloven dat er in vroeger tijden heel wat moet zijn geleden en dat de hedendaagse generatie pure mazzel heeft dat tegenwoordige chirurgen tenminste iets kunnen betekenen. Maar ook zal door hen moeten worden erkend dat zulke operaties daarmee een buitengewoon onnatuurlijke gang van zaken typeren.

Amnesty is een van de partijen die de keuze voor transgender een universeel mensenrecht noemen.

Dat staat wel op gespannen voet met hun veelgenoemde claim dat er een recht op zo’n type operatie moet zijn. Immers, zo luidt de claim, ieder mens heeft recht op zo volledig mogelijke ontplooiing; dat zou een universeel mensenrecht zijn dat niet slechts voorbehouden moet zijn aan een elite. En zeker wie in het verkeerde lichaam geboren is, heeft recht op ‘correctie’, want zonder zo’n transitie is zelfs het begin van ontplooiing al onmogelijk, zo luidt de claim. In hun ogen is zo’n operatie dus geen goedmoedig verleende gunst, maar een op te eisen recht.

Het medisch traject

Dra een arts verklaart niet aan zulke operaties te willen meewerken, krijgt deze daarom het verwijt het mensenrecht op ontplooiing met voeten te treden en niks te geven om de noodkreet van het slachtoffer. Een deel van deze ‘slachtoffers’ heeft in het dossier staan dat er eerder al een zelfmoordpoging was of dat dit werd overwogen. Zeker die arts wordt vervolgens medeschuld aangepraat, mocht dit ‘slachtoffer’ ooit weer, of nu echt, zo’n poging doen. Zo wordt de medicus psychisch onder druk gezet. Idem geldt voor de hulpverleners die eerder in de keten hun werk hebben, wellicht helemaal vooraan de huisarts. Gezien het huidige klimaat – dat vooralsnog de transgender meer dan welgezind is – zal er geen huisarts zijn die weigert om door te verwijzen naar een genderkliniek. De ene huisarts zal dat doen uit overtuiging dat transitie voor sommigen gewoon een goed idee is. De andere huisarts zal de vingers er niet aan willen branden en zodoende de verantwoordelijkheid volledig willen doorschuiven naar de deskundigen van de genderkliniek.

Bij de Londonse Tavistock kliniek, dè genderkliniek van Engeland, ging begin 2023 de stekker eruit na kritische rapporten.

Het is de vraag welk beeld deze huisartsen hebben van die deskundigen. Mogelijk denken de nodige huisartsen dat het merendeel van die genderdysfore ‘patiënten’ in die klinieken na wat psychologische gesprekken weer huiswaarts keert in het besef toch wèl in het goede lichaam geboren te zijn. Ofwel, mogelijk denken deze huisartsen dat de medewerkers van de genderkliniek slechts zelden een ‘affirmatieve houding’ aannemen. Affirmatief betekent hier dat medewerkers meegaan in de eigen redenering van de genderdysfore patiënt en deze dus bevestigen, daarmee in feite de patiënt op de trein richting operaties zettend. Deze huisartsen zijn daarmee echter naïef optimistisch. Medewerkers van genderklinieken zijn haast per definitie affirmatief ingesteld, want wie niet in gendertransitie gelooft gaat niet werken bij zo’n kliniek of neemt al spoedig ontslag. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat, in het huidige politieke klimaat, een transgender-kritisch persoon door de sollicitatieprocedure heen komt. Zo beschouwd hoort een huisarts te beseffen dat doorsturen in de praktijk betekent dat iemand op de trein naar operaties gezet wordt.

Het psychotherapeutisch traject

Een daardoor in gewetensnood verkerende en genderkritische huisarts zou daarom kunnen denken dat het toch beter is vooral zèlf te gaan praten met de patiënt, of te pogen deze door te verwijzen naar een psycholoog buiten de entourage van de genderkliniek. Maar ook die route is niet zonder gevaar. Er is al een initiatiefwet ingediend om aanbieden van conversietherapie strafbaar te maken. Deze wet is vooralsnog alleen gericht op homofilie-therapie, maar transactivisten menen dat ook transgender-psychotherapie onder het verbod zou moeten gaan vallen. Je moet dus als doorverwijzende huisarts sterk in je schoenen staan, want de schandpaal waaraan transactivisten je zullen willen vastbinden is snel opgezet. (Merk trouwens op dat ‘conversie’ en ’transitie’ een soort van synoniemen zijn.)

DSM-5

Nu is het niet zo dat élke bij de huisarts aankloppende genderdysfore patiënt uiteindelijk op de trein naar operaties gezet wordt. Ook bij de genderklinieken zijn er die niet, of pas na een aantal jaren, op die trein worden gezet. Ook daar zijn er psychologen die af en toe zeggen dat er andere problematiek is die eerst moet worden opgelost alvorens er aan operaties mag worden gedacht. Het percentage genderdysfore patiënten dat specifieke psychische, in de DSM-5 genoemde, problematiek heeft loopt in de tientallen procenten. Al zulke problematiek bij elkaar (waarvan autisme en depressie de bekendste zijn) gaat het mogelijk om veel meer dan de helft (bijv. autisme alleen al: 6-26%, weliswaar Iraans onderzoek: 81,4%, literatuurstudie: ‘personality disorders are common in these patients). Voor het resterende percentage lijkt een (initiële) psychotherapie zo op het oog het onjuiste pad en zou een snelle route naar operaties op zijn plaats lijken. We moeten ons echter afvragen of ‘je voelen als geboren in het verkeerde lichaam’ op zich niet al een waanidee is dat psychotherapie rechtvaardigt. Overigens staat ook genderdysforie zelf in de DSM-handboeken. In de voorlaatste versie werd het nog een ‘genderidentiteitsstoornis’ genoemd, maar in de nieuwste editie (DSM-5) staat het genoteerd als ‘genderdysforie’, echter vooral om het hulpverleners mogelijk te maken hun inspanningen te laten vergoeden door de zorgverzekeraar.

Verder staat er nu de instructie in om het niet langer een stoornis te noemen, want dat laatste zou stigmatiseren, vandaar ook de naamswijziging. Nu zijn er wel meer waanideeën die we geen stoornis noemen, maar het lijkt wachten op het moment dat psychologen en psychiaters het van hun Amerikaanse vakgenoten ook niet meer een waanidee mogen noemen. In elk geval is het nu zo dat transactivisten de stoorniscijfers – van autisme en dergelijke – graag bagatelliseren, waar transcritici deze juist benadrukken om aan te geven dat er onderliggende problematiek is. Gehanteerde definities van stoornissen zijn overigens nogal van invloed op wetenschappelijke rapportages ervan én op hoe er in de maatschappij over wordt gedacht. Daarom zijn er veel discussies over. Oneliners erover, zoals per definitie op X, kunnen door een niet ingevoerde alleen waarachtig worden geloofd als beide zijden het ermee eens zijn. Uit reacties op X blijkt geregeld dat die consensus er dan niet is. Eén probleem is discussie over het oorzakelijke van een stoornis. Is een depressie het gevolg van het gevoel in het verkeerde lichaam te zitten of is het idee van het verkeerde lichaam een manier om de eigen depressiviteit verklaarbaar te maken?

Hoezeer het denken van psychologen en psychiaters is opgeschoven, mag ook blijken uit hoe er tot de jaren-60 nog tegenaan werd gekeken. Zo schreef de Nederlandse Gezondheidsraad in 1966: “Er van uitgaande, dat de transsexist behept is met een waan, als symptoom van zijn psycho-neurotische gestoordheid, dient psycho-therapie in alle gevallen van transsexisme als aangewezen te worden beschouwd”. Het waren de jaren dat het in de DSM nog niet eens genoemd werd. Je zou kunnen zeggen dat het denken erover sindsdien door wetenschappelijk onderzoek en voortschrijdend inzicht is veranderd, maar je kan evengoed zeggen dat het op een gigantisch dwaalspoor is geraakt.

Volstaan met psychotherapie voor genderdysfore mensen is een zeer legitiem standpunt dat zeker niet in de taboesfeer hoort.

Peter van Lenth
Laatste berichten van Peter van Lenth (alles zien)